|

Asala Bucha day. De monniken blijven hierna 3 maanden,
zoveel mogelijk, in de tempel.

Asalha Puja, evening, That Phanom, Isaan

Boeddhistische monniken bidden op Asanha Puja
Day, de vooravond van de boeddhistische
vastentijd van 3 maanden, hier in de provincie
Nakhon Pathom aan de rand van Bangkok.

28 mei 2010: Thais bidden tijdens de
jaarlijkse viering van de geboorte, de
verlichting en de dood van Buddha. (zie ook de
foto hieronder)

De viering van de geboorte, de
verlichting en de dood van Buddha is op 1 dag.

Een
ongehoorzaam prinsenkind verovert Azie
Omstreeks het begin van onze tijdrekening golfde
het boeddhisme van Centraal-Azie uit naar China
toe. Dat was ten tijde van de Oostelijke Han-dynastie.
De filosofie, die voor honderden miljoenen een
godsdienst werd, had toen al een lange weg
achter de rug.
Het boeddhistisch ideaal van een persoonlijke
verlossing stond haaks op de beginselen van de
confuciaanse ethiek, die de familie als basis
van staat en samenleving beschouwt. Volgens het
confucianisme moest de keizer de activiteiten
van al zijn onderdanen leiden, maar de
boeddhistische monniken beschouwden zich als een
groep die vrij en onafhankelijk stond ten
overstaan van de wereldlijke machten. Bovendien
had boeddha, om een ascetisch leven te gaan
leiden, zijn gezin verlaten en dat stond
centraal in de Confuciaanse gedachte.
Reincarnatie
Het boeddhisme bracht ook de boodschap dat het
huidig bestaan bepaald is door daden en
handelingen uit een vroeger bestaan en de
reincarnatie zal beinvloeden. Dat was in strijd
met de algemene verspreide voorouderverering,
die wil dat de voorouderlijke geest voortleeft.
Het boeddhisme beschouwd ook buitenlanders als
gelijken.
Boeddha. De man die zo genoemd werd is Siddartha
Gautama Sakyamuni (560 tot 480 voor onze
tijdrekening). Als zoon van een stamhoofd van de
Sakyastam bij Nepal kreeg hij genoeg van de
aristocratische leefwijze. Als 29-jarige voegde
hij zich bij een groep asceten, die hun heil
zochten in de onthouding.
Na zes jaar zag hij in dat dit de juiste weg
niet was. Na 49 dagen onder een vijgenboom te
hebben gezeten ontving hij het ware inzicht. Hij
sprak zijn eerste preek in het Hertenpark van
Sarnath, bij Benares (nu Varanasi). "Het wiel
van de wet", zo heette het.
Boeddha is geen naam, het is het woord voor 'verlichte'.
In 1956 werd het 2500ste jaar van zijn heengaan
herdacht.
Boeddha's levensloop is een grote vermenging van
waarheid en legende.
Volgens de overlevering werd hij geboren uit een
ontmoeting die zijn moeder had met een Witte
Olifant. Haar zwangerschap duurde tien maanden.
De bevalling had plaats toen zij onderweg was
naar haar vader. Dat gebeurde rechtstaande
terwijl zij zich vastklampte aan de takken van
een Salaboom. Boeddha werd geboren uit haar
rechterzijde en op dat ogenblik vielen er regens
uit de hemel. Het was toen 624 voor onze
tijdrekening.
Boeddha stond meteen recht en zette zeven passen
naar het noorden. Daar keek hij naar de vier
windrichtingen en zei: "Dit is de laatste keer
geweest dat ik geboren werd".
Zijn moeder, Maya, stierf een week later en de
jonge prins werd verder opgevoed door haar
zuster, die later een vrouwelijk monnik zou
worden. Onmiddellijk na de geboorte liet de
Koning een wijze naar het hof komen om een
horoscoop voor de jonge prins te maken. Die
meldde dat de zoon een grote koning of een grote
geestelijke leider zou worden. De vader wilde er
zeker van zijn dat de prins een koning zou
worden en zonderde hem af van de buitenwereld.
Hij bouwde drie paleizen voor hem, een voor het
regenseizoen, een voor de zomer en een voor de
winter.
Siddartha was zestien toen hij huwde en
negenentwintig toen zijn zoon geboren werd, die
later als een monnik door het leven zou stappen.
De avond van de geboorte zou Siddartha zijn
gezin verlaten.
Vooraf had hij tot viermaal toe, zonder dat zijn
vader het wist, met zijn kamerheer een stapje in
de wereld gezet. De eerste maal ontmoette hij
een oude man. Dat bracht bij hem een schok
teweeg. De kamerheer legde uit dat iedereen oud
wordt. De tweede maal liep Siddartha een zieke
tegen het lijf, de derde maal botste hij op een
begrafenis.
Telkenmale gaf de kamerheer toelichting over de
realiteit van het leven.

Tijdens de vierde vlucht uit het paleis kwam
Siddartha een asceet tegen, een zwerver die een
enorme gemoedsrust uitstraalde en geen angst.
Die angst had Siddartha wel bevangen na zijn
vorige ontmoetingen. Hij vroeg zich af waarom
een mens zo moet lijden en pijn hebben tijdens
zijn leven. Hij besluit zijn luxueus leventje
vaarwel te zeggen en bij de asceet in de leer te
gaan.
Die avond rijdt hij met zijn paard tot de grens
van het paleis, geeft paard en sieraden af aan
de kamerheer en snijdt zijn prachtig gewaad in
stukken. Hij kleedt zich, volgens de legende, in
lijkdoeken en vertrekt.
De asceet is niet bij machte hem een oplossing
voor zijn problemen te geven en Siddartha gaat
zes jaar op zijn eentje mediteren, op
knekelvelden, in het woud, in regen, koude en
warmte. Hij geraakt uitgeput en uitgemergeld.
Zijn eerste vaststelling was dat hij alleen
stond met zijn probleem, net zoals elke mens.
En toen gebeurde het. Siddartha had zich in het
Indische Bihar onder een bodhi-boom (ficus
religiosa) genesteld. Hij naderde het ogenblik
van de waarheid, de verlichting, toen plots de
demon Mara opdook, die hem met alle mogelijke
middelen, tot en met zijn beeldmooie dochters,
in de verleiding en verlokking wou brengen.
Mara deed ook een storm opsteken om hem uit zijn
meditatie te halen. De prins werd tegen het
onweer beschermd door Mucilinda, een slang met
zeven koppen. Boeddha wees de aarde als getuige
aan, hij wees met zijn vinger naar beneden. De
aarde trok partij voor boeddha en beefde hard,
bij wijze van protest.
Boeddha leerde, na zijn meditatie, dat het
lijden en de pijn van deze wereld overwonnen
kunnen worden door alle wereldlijke verlangens
te verzaken, want juist deze verlangens
veroorzaken het lijden.
De toegewijde boeddhist mag hopen dat hij
uiteindelijk het nirvana ('het verdwijnen van
iedere begeerte') bereikt: een eindfase van
geluk of niet zijn, beperkt tot de toegewijden
en pas na vele levens.
Na zijn meditatie tekende boeddha een wiel in
het zand, het wiel der wet.
Van dan af zou hij rondtrekken om zijn leer te
verkondigen. Hij was 35 jaar oud en stichtte
kloosters tot hij tachtig was. Toen voelde hij
dat hij ging sterven. Hij legde zich (volgens
het verhaal) onder een Salaboom op zijn zij en
verzonk in meditatie. Alle dieren omringden hem.
Boeddha had het punt bereikt waar hij heel zijn
leven voor gewerkt had. Hij ging niet naar een
volgend leven, zoals iedereen, en waarin hij
weer zou lijden. Nee, hij ging naar het nirvana,
'het niets', waar je niet ongelukkig bent.
De overlevering wil dat hij bewust stierf
ingevolge een voedselvergiftiging. Hij pleegde
geen zelfmoord 'maar zag af van het leven'. Na
zijn dood werd een wake van zes dagen gehouden.
De zevende dag werd boeddha gecremeerd en zijn
as werd verspreid over diverse graven. Zo
ontstonden de stoepa's.
|
Het boeddhisme kent geen
centraal gezag. Het bezit geen Paus, zoals de
christenen.
Boeddha liet overigens geen zogeheten Bijbel na,
maar alleen zijn sermoenen, de Tripitaka, die
later werden opgetekend.
Zij vormen een drieluik dat bestaat uit de
soetra (de woorden van boeddha), de sinaja (de
leefregels voor de monnik) en de habidarma (de
interpretaties van de soetra). Alle
boeddhistische strekkingen volgen dit drieluik.
Het 'dharma' is de leer van boeddha.
De boeddhistische leer aanvaardt geen macht van
de priesters, geen noodzaak van offers aan de
goden, geen discriminatie op grond van kaste of
klasse, beroep of rijkdom. Het is de morele
gedragslijn van de enkeling.
Het boeddhisme had daarom onmiddellijk succes
bij de lagere standen en de opkomende burgerij.
Boeddha is overigens geen god en het boeddhisme
loochent ook het bestaan van de goden niet. Het
beschouwt hen als een vorm van leven, zoals de
mens, het dier en de plant.
Het geloof in de reincarnatie of wedergeboorte
ontstond zowat 600 jaar voor onze tijdrekening
en werd door de boeddhisten overgenomen. Het
werd een kernpunt van het boeddhisme.
Elk leven is een voortdurende strijd op weg naar
de volmaaktheid. Via ethische voorschriften en
meditatie wordt de begeerte overwonnen en wordt
onwetendheid omgezet in inzicht. Er is dus geen
sprake van rituelen.
Zo komt de boeddhist altijd in een beter leven
terecht. Hij gebruikt daarvoor de trap. Elk
leven is een trap. Dat is het theravada. Deze
langzame weg, die ook hinajana wordt genoemd,
staat in een schrille tegenstelling met het
mahajana, dat ook toelaat om met de lift naar
boven te gaan, dit wil zeggen dat men enkele
levens kan overslaan om een beter bestaan te
bereiken.
Na zijn wekenlange meditaties was Boeddha al 35
toen hij de Vier Waarheden gevonden had. Die
zijn:
Het besef dat het lijden bestaat en
onvermijdelijk is. Ook de vreugde bestaat, maar
zij keert altijd om.
Het besef dat de bron van het lijden onze
verlangens zijn, de illusies en de onwetendheid.
Het besef dat het lijden kan worden gestopt door
de eliminatie van de verlangens.
Het besef dat dit mogelijk is door het bereiken
van het Achtvoudige Pad, de leer van Boeddha.
Het Achtvoudige Pad bestaat uit:
Juist inzicht en juist besluit.
Juist woord en juiste daad.
Juist leven en juiste streven.
Juiste denken en juiste meditatie.
Aanvankelijk had Boeddha geen aangezicht. Hij
werd voorgesteld met 'het wiel van de wet' of
met voetafdrukken, een lege troon, of de boom
waaronder hij mediteerde. Een onbekende gaf hem
echter een aangezicht in de eerste eeuw voor
Christus. De Griekse god Apollo stond hiervoor
model, maar hij kreeg enkele Indiase trekjes,
gesloten ogen en..... de glimlach, die later ook
het boeddhistische Thailand (Siam: het land van
de glimlach) beroemd zou maken.
Bijna iedereen in de Zuidoost-Aziatische landen
is boeddhist. En velen gaan voor een tijdje naar
het klooster om het leven van een monnik of een
non te leiden. Meestal voor een zestal maanden.
Mannen, die zulks niet doen, worden wel eens
halve mannen genoemd. Je zou pas een echte man
zijn als je het harde leven van monnik eventjes
gekend hebt. Een monnik moet al zijn bezittingen
afstaan. Hij heeft alleen maar een monnikskleed,
een bedelnap (een kommetje waarin hij zijn geld
bewaart), een scheermes, een handdoek, een
paraplu en nog enkele andere kleine spullen. Een
monnik draagt altijd een oranje kleed dat over
de linkerschouder is vastgeknoopt. Hij is
kaalgeschoren en leeft van bedelarij.
Mensen geven graag geld aan monniken omdat zij
denken dat ze daar in een volgend leven voor
beloond zullen worden.
Een monnik moet heel veel mediteren. Dat is heel
geconcentreerd nadenken, zodat je vergeet waar
je bent, hoe laat het is, soms zelfs wie je
bent. Door te mediteren kom je tot inzicht, je
vindt antwoorden op belangrijke vragen.
Het boeddhisme leert je hoe je dit nirvana kan
bereiken:
Je moet aangeboren gebreken zoals begeerte,
hebzucht en onwetendheid kwijt raken en in de
plaats juist leven en handelen. Een boeddhist
moet heel goed zijn, mag geen kwaad spreken of
slechte gevoelens hebben.
Een eeuwige verdoemenis bestaat niet in het
boeddhisme. Zelfs voor de slechtste mens is de
redding nog mogelijk.
Alleen monniken die daar heel hard aan werken en
heel veel mediteren, kunnen misschien het
nirvana bereiken. Alle andere mensen moeten goed
zijn, bedelende monniken geld geven en boeddha
eren, zodat zij het in een volgend leven beter
hebben.
|