Overleven in Bangkok Hilton, het verhaal van Lian.
 

Het ongelofelijke leven van een Nederlands-Chinese jongen die ondanks alle vreemde en vaak dramatische gebeurtenissen in zijn leven de hoop op een betere toekomst nog niet heeft opgegeven.

Het was begin jaren tachtig toen Lian zijn eerste stappen zette op Nederlandse bodem. Met zijn moeder uit China gevlucht en na vele omzwervingen in Rotterdam terecht gekomen. Een jongetje in een vreemd land met zijn moeder als enige bekende. Gevlucht in de hoop op een betere toekomst. Nu is de Chinese gemeenschap een beetje een apart landje in Nederland met zijn eigen gebruiken en leefwijze. Een besloten gemeenschap waar Chinees de voertaal is. Al generaties lang. Het nieuwe thuisland werd echter allesbehalve het beloofde land. Na een paar maanden was Lian’s moeder plotseling verdwenen. Waarheen is tot op de dag van vandaag onduidelijk.

Lian blijft achter, toevertrouwd aan de zorgen van de Chinese gemeenschap in Rotterdam. Nederlands leerde hij er nooit echt goed want hij ging ook niet naar een Nederlandse school. In het huis waar hij woonde werd hij al vroeg ingezet om huishoudelijke taken te verrichten: schoonmaken, kleren wassen, eten klaarmaken.

Dat schemerige leven ging door tot zijn 15e. Hij kreeg de kans om in een restaurant te gaan werken, vanzelfsprekend een Chinees restaurant, en begon zich ook meer buiten de gemeenschap op te houden. Zijn vrienden waren vaak wel van Chinese komaf en uiteindelijk werd hij verliefd op een Chinees meisje met wie hij trouwde en een zoon kreeg.
Zou het dan toch allemaal goed komen en dit korte verhaal als een sprookje eindigen “En zij leefden nog lang en gelukkig”?

Het is vroeg in de ochtend als ik me in een taxi door het spitsverkeer van Bangkok heenworstel richting Nonthanburi. Voor een groot hek stap ik uit, bouwvallige gebouwtjes, een winkeltje en onder een golfplaten afdak een paar rijen stoelen met een paar loketten.
Thaise mannen, maar vooral vrouwen zitten op de stoelen. Veel plastic zakken met eten bij zich. Wachten totdat ze aan de beurt zijn. Ik heb s’ochtends nog even de beschrijving van wat ik moet doen van Rene doorgelezen dus loop het winkeltje binnen om een copie van mijn paspoort te laten maken. Dan een formuliertje invullen en met beide papieren naar een van de loketjes waar een norse vrouw ze zwijgzaam in ontvangst neemt en snauwt: “ kau krung” En voor alle zekerheid roept ze nog even “haf pas nei”. Nog een uur voordat ik de poorten aan de overkant van de weg door mag gaan naar het binnenste van de Baan Kwang oftewel het Bangkok Hilton.

Meer dan uur later zit ik tegenover Lian, gescheiden door twee glaswanden met tralies.
Aan de ene kant de bezoekers, op krukjes, aan de andere kant in een smalle gang de gevangenen. De telefoons waardoor je met elkaar kan communiceren kraken nogal, wat uitnodigt tot harder praten, wat iedereen dan ook doet zodat je ongewild de converstatie van je buren meekrijgt.

Hoewel de eerste keer dat we elkaar zien begroet Lian me met een brede glimlach en zegt meteen dat hij erg blij is me te zien. Hij had al wat over me gehoord van Rene en schreef me al twee keer een bedankkaartje nadat ik de maandelijkse voedselpakketten had opgestuurd. We praten haast een uur lang met elkaar in het Engels en Nederlands. Hij wil vooral veel van mij weten . wat voor werk ik doe , hoe lang ik al in Thailand ben. Maar ik wil ook graag van alles van hem weten. Niet hoe hij daar gekomen is want dat weet ik al.
Maar meer over zijn verleden. Hij vertelt zijn hele verhaal: hoe hij met een Chinese vriend van hem voor een vakantie via Hong Kong in Bangkok terechtkwam, tien jaar geleden. Ze zaten in een pension van een Thaise Chinees, toen de politie daar binnenkwam en behalve de eigenaar ook hun meenam.
In het pension werden drugs gevonden en zij werden beschuldigd van medeplichtigheid aan drugshandel. Geen erg sterke zaak, zou je denken want de drugs waren niet bij hun of op hun kamer gevonden. In eerste instantie dan ook vrijgesproken, maar de officier van justitie ging in beroep en vervolgens werden ze wel schuldig bevonden en hoorden ze tot hun afgrijzen dat ze de doodstraf kregen.

Vanaf dat moment werd het een hel. Twee jaar lang in de dodencel met kettingen en ijzeren ballen aan hun enkels. Dankzij veel druk van buitenaf van o.a toenmalig kamerlid Boris Dittrich en ambassadeur Pieter Marres en “stille diplomatie”
lukte het uiteindelijk om de doodstraf omgezet te krijgen in levenslang.
Ook niet echt een prettig vooruitzicht als je iets over het leven in de Thaise gevangenissen weet, wat voor elke buitenstaander volstrekt onvoorstelbaar is.

Nu is er een paar jaar geleden een bilateraal verdrag tussen Nederland en Thailand gesloten waardoor Nederlandse gevangenen, na een gedeelte van hun straf in Thailand te hebben uitgezeten, in aanmerking kunnen komen voor repatriering naar Nederland. Dat gebeurde o.a. met Machiel Kuijt. Gevangenen als Lian en zijn vriend Eddy zouden na 8 jaar hiervoor in aanmerking komen. Iets om hoop uit te putten.

Maar het drama van Lian gaat verder want in 2006 verklaarde het Nederlandse ministerie van buitenlandse zaken plotseling dat het paspoort van Lian vals was en hij niet de Nederlandse nationaliteit had. Dat hield in geen maandelijks geldbedragje van de ambassade, geen bezoeken, geen medische hulp en het laatste sprankje hoop verliezen.
Lian was en is erg afhankelijk van de medische hulp omdat bij een liesoperatie, uitgevoerd in het politieziekenhuis van Bangkok, zenuwbanen in zijn been beschadigd zijn en hij de spierziekte ALS heeft gekregen. Niet te genezen maar wel te remmen met dure medicijnen.

Met al deze informatie in mijn hoofd kan ik het haast niet geloven dat tegenover mij iemand zit wiens leven alleen maar gekenmerkt wordt door de ene ramp na de andere.
Lian lacht zijn brede lach en begint vervolgens enthousiast met me te praten over de verrichtingen van het Nederlands elftal in Zuid Afrika en hoe erg hij hoopt dat ze gaan winnen. Bij het einde van ons gesprek zegt hij: “Als ik niet de mensen had die me steeds steunen dan was ik er echt niet meer geweest. Jullie zijn mijn familie”. Ondanks de vuile glazen wanden en de tralies voel en zie ik zijn emotie.

Inmiddels is Rachel Imamkhan, Lian’s advokaat en oprichtster van Prisonlaw, een organisatie die zich bezighoudt met Nederlandse gevangenen in het buitenland, druk bezig om bewijzen te verzamelen die aantonen dat Lian wel degelijk de Nederlandse Nationaliteit bezit. In oktober komt zij naar Thailand en hopelijk is er voor die tijd meer duidelijk.

Ik kan me indenken dat u zich wellicht afvraagt of u iets kan doen voor Lian.
Ja, dat kan. Alle steun is welkom: een kaartje bijvoorbeeld of Engelstalige magazines. Liefst over sport of business want, vertelde Lian mij nog: “Als ik hier uitkom wil ik een eigen zaak beginnen, maar geen Chinees restaurant!”.


U kunt reageren door een mail te sturen naar eric@rosetree.demon.nl
Eric Rosenbaum
 

          

  Bookmark and Share